Je niet meer meedoet

Niet alles wat gezegd kan worden, vraagt om antwoord. Niet elk gesprek wil gevoerd worden. Sommige woorden bestaan alleen om stilte te vermijden.

Er komt een moment waarop je dat verschil voelt. Niet met je hoofd, maar met je lijf. Je adem weet eerder dan je denken of iets voedt of alleen vult.

Wie dat eenmaal merkt, verandert niet van karakter, maar van richting. Je stopt met bijsturen, met meebewegen uit beleefdheid, met praten om niet op te vallen.

Wat overblijft is geen afstand, maar nauwkeurigheid.

Je leert dat zwijgen geen afwijzing is. Dat vertrekken soms zorg is. Dat aanwezigheid niet altijd hoorbaar hoeft te zijn om echt te zijn.

De wereld draait door, zoals ze dat altijd deed. Mensen blijven praten, plannen, vullen. Maar jij hoeft daar niet meer in mee te draaien om te bestaan.

Er is niets mis met verbinding. Alleen met verbinding die geen bedding heeft.

En misschien is dat het enige wat telt: niet hoeveel woorden je gebruikt, maar of je jezelf verliest terwijl je ze uitspreekt.


Zoeken dat zich vermomt

Veel mensen noemen het denken wanneer zij lezen, analyseren en ordenen. Wanneer zij teksten naast elkaar leggen, woorden wegen, betekenissen vergelijken. Dat is niet verkeerd. Het is zorgvuldig. Het is geleerd.

Maar er bestaat ook een ander soort denken. Een denken dat niet ontstaat uit afstand, maar uit nabijheid. Niet uit beheersing, maar uit noodzaak.

De meeste denkers uit de geschiedenis schreven niet omdat zij antwoorden hadden, maar omdat zij het niet wisten. Schrijven was geen conclusie — het was een beweging. Een poging om zichzelf te verstaan in een wereld die niet paste.

Later werden hun woorden vastgezet. Geciteerd. Gekaderd. Bestudeerd. En zo veranderde wat ooit een zoektocht was in iets wat als waarheid werd gepresenteerd.

Misschien is dat onvermijdelijk. Misschien heeft de mens behoefte aan houvast, zelfs wanneer die houvast is ontstaan uit twijfel.

Maar er zit een risico in die beweging. Wanneer we denken gaan verwarren met verklaren, en verklaren met begrijpen.

Dan kan denken een veilige omweg worden. Een manier om langs jezelf heen te leven zonder ooit echt stil te vallen.

Niet omdat mensen niet durven, maar omdat stilte geen structuur biedt. Omdat voelen geen curriculum heeft. Omdat eerlijkheid geen diploma oplevert.

Zo ontstaat een wereld waarin we over leegte praten zonder haar te betreden. Waarin we pijn analyseren zonder haar toe te laten. Waarin we zoeken maar het zoeken zelf zorgvuldig afschermen.

Misschien zijn denkers geen mensen met antwoorden. Misschien zijn het mensen die het niet konden laten om te blijven kijken.

En misschien is het probleem niet dat zij zochten, maar dat wij later deden alsof zij gevonden hadden.


Zichzelf vergat

Sommige mensen worden filosoof genoemd omdat zij hebben geschreven. Niet omdat zij het leven begrepen, maar omdat zij het probeerden vast te houden.

Ze schreven omdat het stil was vanbinnen. Omdat het lichaam niet werd gehoord. Omdat denken veiliger voelde dan voelen.

Wat later filosofie werd genoemd, begon vaak als overleven.

Niet zelden waren het mensen die hun blik steeds naar buiten richtten: naar lijden elders, naar onrecht, naar tekorten die groter leken dan die van henzelf. Niet uit helderheid, maar uit een diep wantrouwen tegenover het eigen recht op bestaan.

Wie voortdurend vergelijkt, hoeft zichzelf niet te dragen. Wie zich spiegelt aan het tekort van de ander, hoeft niet te erkennen wat hij zelf nodig heeft.

Zo wordt opoffering verheven tot deugd. En zelfverwaarlozing tot morele superioriteit.

Maar een mens die zijn leven baseert op het lijden van de wereld, leeft niet zijn eigen leven. Hij leeft een afgeleide waarheid.

Schrijven werd een vorm van zoeken. Niet naar antwoorden, maar naar aansluiting. Naar een plek waar het innerlijke gemis niet zo voelbaar was.

Dat zulke teksten later op een voetstuk werden gezet, zegt minder over hun waarheid dan over onze behoefte aan verklaringen die ons niet raken.

Wij eren de woorden, maar zwijgen over het lichaam dat eronder bezweek.

Want wie zou willen toegeven dat veel wijsheid voortkomt uit een gebrek aan zelfliefde?

Het lichaam vraagt geen analyse. Het vraagt geen theorie. Het vraagt aanwezigheid.

En misschien ligt daar het verschil tussen denken dat ontstaat uit leven en denken dat ontstaat uit ontsnapping.

Niet alles wat geschreven is, is gevonden. Niet alles wat diep klinkt, is belichaamd.

Echte helderheid begint niet bij begrijpen, maar bij durven blijven waar niets hoeft te worden.


Waar het leven echt om draait

Er komt een moment waarop volgen geen veiligheid meer biedt. Waarin kijken naar anderen niet langer houvast geeft, maar ruis.

Lang heb ik gedacht dat richting ontstaat door afstemming. Door te kijken hoe het hoort. Door te luisteren naar wat normaal is, verstandig is, wenselijk is.

Maar wat van buiten komt, draagt altijd andermans ritme. Andermans tempo. Andermans angst, hoop of overtuiging.

Wie zijn keuzes blijft spiegelen aan de wereld, leert goed reageren — maar verleert voelen.

Dit is geen afscheid van de buitenwereld. Het is een verschuiving van autoriteit.

De wereld mag bestaan zoals zij bestaat. Met haar beslissingen, haar systemen, haar verwachtingen. Maar ze hoeft niet langer het vertrekpunt te zijn.

Wat ontstaat wanneer ik eerst naar binnen kijk, is geen verzet, geen isolement, geen gelijk. Het is eenvoud.

Niet alles hoeft beantwoord. Niet alles hoeft gevolgd. Niet alles hoeft gedragen.

Soms is autonomie niets meer dan dit: dat ik mezelf niet langer passeer om het passend te houden voor een ander.


Geen tekorten

Wat we vaak onwil noemen, is zelden onwil. Het is geen gebrek aan inzicht en geen tekort aan denken. Het is het ontbreken van ruimte.

De mens wil niet falen. Niet omdat hij zwak is, maar omdat falen iets vraagt wat niet iedereen kan dragen.

In doen en laten proberen we ons nauwkeurig te gedragen. We verwoorden ons zorgvuldig. We corrigeren onszelf voordat iemand anders dat hoeft te doen. Alles om niet te hoeven zeggen: dit ging anders dan ik dacht, dit klopt niet, dit heb ik verkeerd ingeschat.

Niet omdat die woorden niet bestaan, maar omdat ze ons brengen op een plek van niet-weten.

En niet-weten is ongemakkelijk. Het vraagt draagkracht. Het vraagt ruimte. En die ruimte is er niet altijd.

Als we dit collectief zouden doorbreken, als falen niet langer iets was om te vermijden maar om te erkennen, zou het leven lichter worden. Menselijker. Eerlijker.

Maar dat vraagt iets wat niet iedereen kan of wil. Niet iedereen kan leven met open eindes. Niet iedereen kan blijven staan zonder zekerheid. Niet iedereen kan het zich veroorloven om het niet te weten.

Dat maakt het geen onwil. Dat maakt het begrijpelijk.

Een mens die net begonnen is, die financiële afhankelijkheden heeft, verantwoordelijkheden draagt, kan niet zomaar zeggen: ik stap eruit. Niet omdat hij het niet ziet, maar omdat de consequenties te groot zijn.

Falen wordt dan geen leerproces, maar een bedreiging van het bestaan.

Daarom geven mensen geen akkoord op wat te bedreigend is. Niet omdat het onwaar is, maar omdat het te veel vraagt.

In een mens met beperkte draagkracht — of met een draagkracht die hij zichzelf toestaat — is falen onvermijdelijk, maar niet altijd leefbaar.

En dat is misschien de kern: niet alles wat waar is, kan op elk moment gedragen worden.

Wie dit ziet, hoeft niet te overtuigen. Niet te duwen. Niet te veroordelen.

Dan blijft over wat het is: geen onwil, maar menselijke begrenzing.


Geen tegenspraak meer

Zolang iemand leeft, blijven we voorzichtig. We luisteren, maar zeggen niets. We voelen dat er iets klopt, maar durven er niet volmondig ja op te zeggen.

Want instemmen zou betekenen dat we zelf positie moeten innemen. Dat we verantwoordelijkheid dragen voor wat we herkennen als waar.

Pas wanneer iemand zwijgt, wordt hij veilig.

Dan mogen we zijn woorden aanraken. Dan mogen we ze citeren, analyseren, prijzen. Dan zetten we hem op een voetstuk en zeggen we: hier zat iets groots in.

Niet omdat het toen pas waar werd, maar omdat het nu geen consequenties meer heeft.

De waarheid verandert niet met de dood. Alleen onze bereidheid om haar toe te laten.

Misschien eren we denkers niet omdat ze gelijk hadden, maar omdat ze ons niets meer kunnen vragen.


Denken in een lijstje

Soms vraag ik me af wanneer denken iets werd dat je moest leren. Alsof het pas telt wanneer het is ondergebracht in een opleiding, een programma, een methode, een boek.

Terwijl denken al gebeurt. Altijd al.

Mensen hebben altijd nagedacht over hun leven, over wat klopt en wat schuurt, over waarom iets pijn doet of juist rust geeft. Sommigen schreven dat op. Niet omdat het een vak moest worden, maar omdat ze woorden zochten voor wat zich vanbinnen afspeelde.

Wat we nu filosofie noemen, zijn vaak die hersenspinsels. Gedachten van mensen die leefden, struikelden, twijfelden en probeerden te begrijpen hoe ze verder konden.

Toch analyseren we die gedachten alsof ze losstaan van een leven. We bestuderen ze, ontleden ze, plaatsen ze in kaders. Alsof denken iets is wat je van buitenaf kunt aanleren.

Maar denken ontstaat niet uit boeken. Het ontstaat uit stilstaan. Uit durven kijken. Uit niet weggaan wanneer het ongemakkelijk wordt.

Eenzaamte alleen is daarvoor niet genoeg. Stilte opent geen deuren als je ze gesloten wilt houden. Er is bereidheid nodig. Eerlijkheid. De moed om niets te verbloemen.

Misschien is dat waarom echte filosofie zelden comfortabel is. Ze laat zich niet netjes onderwijzen. Ze laat zich niet opdelen in studiepunten. Ze vraagt geen bewijs, alleen aanwezigheid.

En misschien is dat ook waarom we haar liever analyseren dan haar werkelijk te leven.


Stilte vraagt niets

Soms is alles al gezegd. Niet omdat het gesprek klaar is, maar omdat er niets meer toegevoegd hoeft te worden.

Er zijn momenten waarop woorden ophouden nodig te zijn. Waar een lied, een gedachte, een stilte alles bevat wat er te zeggen valt. En toch voelen veel mensen de drang om er iets achteraan te zeggen. Niet omdat het nodig is, maar omdat leegte ongemakkelijk is.

Leegte vraagt aanwezigheid. En aanwezigheid zonder afleiding is voor velen te groot.

Wanneer er niets meer hoeft, wanneer niemand iets van je vraagt, wanneer er geen richting is om in te vluchten, komt iets bloot te liggen wat niet iedereen kan dragen.

Dan wordt stilte onverdraaglijk. Dan wordt alleen zijn een probleem. Dan wordt er gesproken, gereageerd, verklaard — niet om te verbinden, maar om te ontsnappen.

Misschien is dat waarom momenten van stilstand zo’n weerstand oproepen. Waarom opgelegde rust onverdraaglijk lijkt. Waarom leegte wordt bestreden met meningen, plannen en verhalen.

Niet omdat leegte leeg is, maar omdat ze laat zien wat er altijd al was.

En misschien hoeft daar niets tegenin gebracht te worden. Misschien is het genoeg om te blijven waar niets meer gezegd hoeft te worden.


Een eerlijk, echt leven kan pas ontstaan als je ziet wat je weet


Soms is eerlijk leven geen kwestie van meer leren, maar van blijven bij wat zich al heeft aangediend.

Niet alles wat we weten, zien we. En niet alles wat we zien, durven we toe te laten. Toch ontstaat daar het verschil: tussen leven dat klopt en leven dat wordt ontweken.

Veel hoop wordt uitgesteld. Naar later. Naar ooit. Naar een moment dat voorbij dit leven zou liggen. Alsof wat niet te dragen is, daar alsnog verzacht zal worden.

Maar wat als dat er niet is. Geen later. Geen na de dood waar het alsnog goedkomt. Alleen dit leven, precies zoals het zich nu aandient.

Een eerlijk leven vraagt dan niet om troostende verhalen, maar om aanwezigheid. Niet om alles begrijpen, maar om niets wegkijken. Niet verzachten wat scherp is. Niet verhullen wat al helder werd.

Misschien is echt leven niet het vinden van nieuwe antwoorden, maar het erkennen van wat zich al heeft laten zien. Zonder belofte. Zonder ontsnapping.

Pas wanneer ik zie wat ik weet, en niets meer hoef uit te stellen, ontstaat er ruimte. Niet om meer te worden, maar om te zijn.


Ruimte innemen zonder uitleg


Ik hoef niet alles aan de wereld te vertellen. De wereld is niet mijn leven. Ik ben mijn leven.

Maar wat ik níet uitspreek, verdwijnt niet. Het blijft ergens hangen. En als het geen woorden krijgt, zoekt het een andere plek — in mijn lijf, in spanning, in over grenzen heen stappen alsof dat normaal is.

Dat heb ik lang gedaan. Veel te lang.

Nu leer ik iets anders: dat ik dingen mag droppen. Niet om er betekenis van te maken. Niet om het af te ronden. Niet om het te begrijpen.

Alleen om het niet vast te houden.

Dat mag hier. Of bij een psycholoog. Of bij één mens die veilig voelt. Of gewoon hardop, zonder publiek.

Niet alles wat ik doe hoeft iets te worden. Niet alles hoeft zin te hebben. Juist de dingen die nergens toe leiden, geven me energie.

Zolang ik luister. Zolang ik stop voordat het weer te veel wordt.

Dit is geen zwakte. Dit is onderhoud.

En als ik het vergeet, kan ik hier terugkomen. Niet om iets nieuws te leren, maar om me te herinneren wat ik al wist.


Wat ik vond


We zijn gaan geloven dat wat telt, iets moet kosten.

Dat tijd pas waarde heeft als hij iets oplevert. Dat een keuze pas klopt als hij te verantwoorden is.

En dat wat we wegdoen, altijd eerst door geld moet worden goedgekeurd.

Maar niet alles wat betekenis heeft laat zich wegen. Niet alles wat goed voelt heeft een prijs nodig.

Sommige dingen bestaan omdat ze bestaan. Omdat ze rust geven. Omdat ze kloppen.

Een handeling hoeft geen nut te hebben om waardevol te zijn. Een hobby hoeft niets op te leveren behalve zichzelf.

En wat ik loslaat, is niet verloren omdat het ooit geld kostte.

Misschien zijn we niet armer wanneer we stoppen met rekenen. Misschien worden we dan pas weer vrij om te kiezen.


Niet verschuiven


Observeren is iets anders dan invullen.

Ik kan kijken naar hoe iemand leeft. Ik kan zien welke keuzes iemand maakt, hoe iemand zich beweegt door het leven, wat zichtbaar is aan de buitenkant.

Maar op het moment dat ik beelden ga maken over hoe iemand zich voelt, waarom iemand iets doet, of hoe iemand zich innerlijk tot zijn leven verhoudt, stap ik zijn schoenen in.

En die passen mij niet.

Daar begint verwarring. Niet omdat observeren verkeerd is, maar omdat ik dan doe alsof ik weet wat ik niet kan weten.

Ieder mens leeft zijn leven vanuit een eigen bedding. Wat voor mij leeg lijkt, kan voor een ander voldoende zijn. Wat voor mij beklemmend voelt, kan voor een ander rust zijn. En wat ik zie als gemiste ruimte, hoeft geen gemis te zijn voor degene die erin leeft.

Observeren vraagt precisie. Invullen vraagt macht.

Zodra ik betekenis ga plakken op het leven van een ander, haal ik die ander uit zijn eigen positie en zet ik hem ongevraagd in de mijne.

Dat is geen begrip. Dat is toe-eigening.

Misschien is het meest eerlijke wat ik kan doen niet verklaren, niet verbeteren, niet duiden — maar laten zijn.

Niet omdat alles goed is. Maar omdat ieder leven alleen van binnenuit geleefd kan worden.

En daar heb ik geen toegang toe.


Focus


Wanneer ik mijn aandacht richt op wat werkelijk van belang is, wordt het stil om mij heen. Niet omdat alles verdwijnt, maar omdat het zijn aanspraak op mij verliest.

Zodra mijn focus helder is, ordent mijn lijf zich vanzelf. Spanning zakt. Ruis dooft uit.

Niet alles vraagt om aandacht. Niet alles hoeft mee. Wat geen doel dient, wordt zwaar om te dragen.

Focus is geen inspanning. Het is kiezen. En in dat kiezen valt de rest terug op zijn eigen plaats.

Wanneer ik weet waar ik voor sta, hoef ik niets meer vast te houden dat mij daarvandaan trekt.


Spreken, verwerken en kleiner worden


Er is een misverstand dat diep in onze cultuur zit. We denken dat praten hetzelfde is als verwerken. Maar dat is het niet.

Praten kan opluchten. Verwerken verandert iets vanbinnen.

Verwerken vraagt bedding. Iemand — of iets — dat het kan dragen zonder te schrikken, zonder te fixen, zonder te minimaliseren. Zonder het verhaal terug te geven als oordeel, advies of ongemak.

Wie zijn verhaal deelt bij iemand die het niet kan dragen, leert iets gevaarlijks: dat zwijgen veiliger is dan spreken.

Zo worden mensen kleiner. Niet in één keer, maar langzaam. Ze passen zich aan. Ze zeggen minder. Ze voelen minder. Niet omdat het er niet is, maar omdat er geen plek voor was.

Veel mensen denken dat hun pijn niet “erg genoeg” is. Omdat anderen het erger hebben. Omdat ze functioneren. Omdat ze doorgaan.

Maar onverwerkte pijn verdwijnt niet. Ze trekt zich terug. In het lichaam. In relaties. In stilte.

Sommige mensen praten nooit. Niet omdat ze niets te zeggen hebben, maar omdat niemand hen ooit heeft laten merken dat hun waarheid gedragen kon worden.

Dat is misschien het meest tragische: niet dat mensen lijden, maar dat ze nooit weten waarom ze zichzelf kwijtraken.

Verwerken is geen gesprek. Het is een ontmoeting waarin niets hoeft te worden opgelost. Waarin het verhaal mag bestaan zonder terug te kaatsen.

Wie dat nooit heeft meegemaakt, wordt niet hard — maar klein.

En wie dit ziet, kan het niet meer ontzien.

Niet om te redden. Niet om te overtuigen. Maar om te erkennen wat er werkelijk nodig is om mens te blijven.


Opvoeding


Opvoeding wordt vaak gezien als iets wat je doet aan een kind. Alsof een kind een project is. Een route. Een plan dat, mits zorgvuldig uitgevoerd, tot het juiste resultaat leidt.

Maar een kind is geen verlengstuk van inzicht. Geen optelsom van bedoelingen. Geen bewijsstuk van goed ouderschap.

Een kind is iemand die hier aankomt met een eigen richting die nog niet zichtbaar is.

Ouders zijn mensen met een geschiedenis. Met overtuigingen, angsten, gemis en hoop. Wat zij “goed” noemen, is vaak datgene wat hén ooit heeft geholpen — of had moeten helpen.

Dat maakt ouders niet verkeerd. Maar het maakt hen ook niet tot kompas.

Een kind mag afwijken. Ook als dat ongemakkelijk is. Ook als het schuurt. Ook als het pad dat het kind kiest niet lijkt op wat veilig, logisch of wenselijk wordt gevonden.

Opvoeden is niet sturen naar een bestemming. Het is verdragen dat je niet weet waarheen iemand gaat.

Soms wordt gezegd dat een kind “begeleid” moet worden. Soms dat er “hulp” nodig is. Soms dat het beter is om bij te sturen. Dat kan waar zijn — maar het mag nooit de voorwaarde zijn voor bestaansrecht.

Een kind hoeft niet gerepareerd te worden om zichzelf te mogen zijn.

Wie een kind opvoedt, staat niet boven dat kind en ook niet vóór. Maar ernaast — met lege handen.

Niet om niets te geven, maar om niets vast te houden.


Het leven (deel 2)


Je weet niet waar het leven heen gaat. Niet volgende week. Niet volgend jaar. Je kunt plannen maken, scenario’s bedenken, richtingen voelen — maar zeker weten doe je het nooit.

Dat geldt ook voor heling.

Je wilt zo graag weten: waar het eindigt, wat erachter zit, of je het goed doet.

Maar heling laat zich niet vastpakken. Net als het leven zelf.

Hoe meer je probeert te begrijpen vóórdat je erdoorheen bent gegaan, hoe kleiner je wereld wordt. En hoe meer je durft los te laten dat je het moet weten, hoe rijker je hoofd wordt.

Niet omdat je alles begrijpt — maar omdat je ruimte maakt.

We zijn hier niet om het perfecte leven te bouwen. We zijn hier om ons eigen leven te leven.

En wie dat doet — echt doet — wordt vanzelf een prettig mens voor anderen. Niet omdat het moet, maar omdat het klopt.

Niet voor een bankrekening. Niet voor status. Niet voor hoe het eruitziet.

Maar voor rust. Voor ruimte. Voor een hoofd zonder sluimeringen. Voor een lijf zonder voortdurende spanning.

Misschien is dat genoeg. Misschien is dat alles.


Zonder titel


Niet wat zichtbaar is maakt een leven groot.

Niet het pak. Niet de titel. Niet de functiekaartjes die we elkaar voorhouden om houvast te voelen.

Wat zichtbaar is, is vaak alleen het pantser.

Het echte gewicht zit in wat je niet ziet.

In hoe iemand denkt wanneer niemand kijkt. In hoe iemand keuzes maakt zonder applaus. In hoe iemand verantwoordelijkheid draagt voor zijn eigen leven, zonder het te hoeven bewijzen.

Titels zijn geen beschrijving van leven. Ze zijn vaak een manier om afstand te creëren.

Ze zeggen: kijk hiernaar. Terwijl leven zegt: kijk maar — of niet.

Wie leeft, hoeft zichzelf niet op te sommen.

“Ik ben dit, ik ben dat” zegt zelden wie iemand is. Het zegt vooral hoe groot iemand wil lijken.

Niet uit kwaadheid. Maar uit angst.

Angst voor het staan zonder harnas. Voor het niet weten. Voor het niet kunnen schuilen achter iets wat erkend wordt.

Maar wat werkelijk leeft, laat zich niet vastzetten in woorden die te strak zijn.

Het bestaat zonder benoemd te hoeven worden.

En misschien is dat wel het grootste verschil tussen leven en vertonen:

Leven hoeft niet gezien te worden om echt te zijn.


Rust en inzicht


Het maakt niet uit wat je kiest. Yoga, meditatie, wandelen, een kop thee op de bank.

Als het hoofd genoeg rust heeft, vallen inzichten vanzelf binnen. Niet omdat je ze zoekt, maar omdat er ruimte is.

Die inzichten zijn niet bedoeld om te delen. Niet om uit te leggen. Niet om iemand anders te overtuigen.

Ze zijn er om gedragen te worden. Om geleefd te worden.

En vaak willen anderen ze niet horen. Niet omdat ze niet waar zijn, maar omdat inzichten niet overdraagbaar zijn.

Ze ontstaan in rust. En blijven bij wie ze draagt.


Ik-vorm


Er zijn woorden die klein lijken, maar een groot gewicht dragen. “Ik” is er zo één.

Voor een kind is “ik” geen ego. Het is een beginpunt. Een manier om te voelen waar het lichaam ophoudt en de wereld begint.

Wanneer een kind zegt: ik voel, ik wil, ik ben, dan is dat geen claim op aandacht, maar een poging tot oriëntatie.

Toch wordt dat woord vaak vroeg afgeremd. Niet altijd hardop, soms alleen tussen de regels door. Niet te veel ik. Denk ook aan anderen. Doe normaal.

Zo leert een mens zich te verplaatsen voordat hij zichzelf kent.

En ergens onderweg verdwijnt de ik-taal. Ze wordt vervangen door aanpassen, afstemmen, invoegen. Het “wij” komt vroeg, maar zonder stevige grond eronder.

Een wij zonder ik is geen verbinding, maar verdunning.

We spreken graag over samen, over erbij horen, over gemeenschap. Maar een werkelijk wij kan alleen bestaan tussen twee die zichzelf kunnen dragen.

Zonder ik wordt wij een schuilplaats. Zonder ik wordt samen een manier om niet alleen te hoeven voelen.

Misschien is dat waarom zoveel mensen zich verliezen in rollen, labels, clubjes en verklaringen. Omdat het makkelijker is te zeggen waar je bij hoort dan te voelen wie je bent.

Terugkeren naar de ik-vorm is dan geen egoïsme, maar herstel.

Niet om anderen buitenspel te zetten, maar om überhaupt te kunnen ontmoeten.

Want alleen wie “ik” mag zeggen kan werkelijk “jij” horen. En pas dan kan een wij ontstaan dat niet knelt.


Illusie


Er zijn mensen die naar Bali gaan om zichzelf te vinden. Niet omdat Bali hen kwijt heeft gemaakt, maar omdat het leven waar ze vandaan komen te hard is geworden om nog te horen wat er vanbinnen gebeurt.

Bali belooft niets, en juist dat maakt het aantrekkelijk. De dagen zijn lichter. De kosten lager. De verwachtingen zachter.

Voor even hoeft niemand iets te worden. Niet succesvol. Niet stabiel. Niet sterk.

En in die ruimte gebeurt iets echts: het lichaam ontspant. Het hoofd vertraagt. De adem zakt.

Dat wordt vaak aangezien voor een doorbraak.

Mensen zeggen dan: “Ik heb mezelf daar gevonden.” Maar wat ze vaak gevonden hebben, is rust zonder tegenspraak.

Geen agenda. Geen systeem. Geen rol die iets van hen vraagt.

Dat is geen illusie. Dat is echt.

Maar het is ook tijdelijk.

Want wat daar niet verandert, is het mechanisme waarmee iemand leeft. De manier waarop keuzes worden gemaakt. De reflex om zich aan te passen. De neiging om zichzelf voorbij te lopen zodra de druk terugkeert.

En die druk keert altijd terug.

Niet omdat het Westen fout is of Bali zuiverder. Maar omdat een omgeving geen fundament is.

Wat gedragen wordt door omstandigheden, valt weg zodra die omstandigheden veranderen.

Daarom voelt de terugkomst vaak zwaarder dan het vertrek ooit was. Niet omdat Bali iets heeft weggenomen, maar omdat het verschil zichtbaar is geworden.

En dat verschil wordt dan romantisch verklaard: “Het leven daar is gewoon puurder.” “Hier zijn we te gehaast.” “Daar leef je echt.”

Maar het echte verschil zat niet in het land. Het zat in het ontbreken van moeten.

Zolang iemand zichzelf alleen kan dragen wanneer het leven lichter wordt, is er niets opgelost. Alleen uitgesteld.

Dat is geen falen. Dat is menselijk.

Het wordt pas problematisch wanneer die ervaring wordt verkocht als bestemming. Als eindpunt. Als bewijs dat het ‘gevonden’ is.

Want wat werkelijk verandert, verandert niet door afstand, maar door nabijheid.

Niet door weggaan, maar door blijven — ook wanneer het schuurt.

Wie zichzelf kan dragen zonder tropisch decor, zonder financiële ademruimte, zonder de goedkeuring van een groep gelijkgestemden, heeft niets meer nodig om zichzelf te vinden.

Die neemt zichzelf overal mee.

En wie dat (nog) niet kan, heeft geen Bali nodig, maar bedding.

Geen reis, maar eerlijkheid.

Niet de belofte dat alles goed komt, maar de bereidheid om te blijven wanneer het niet licht is.

Dat is geen spiritueel pad. Dat is volwassen worden.

En dat gebeurt niet op Bali. Dat gebeurt daar waar je niet kunt ontsnappen aan jezelf.


Geen overkant


Er wordt vaak gesproken over de overkant. Alsof er een plek bestaat waar alles samenvalt. Waar rust begint. Waar het klopt.

Maar wie over de overkant spreekt, staat zelf nog aan deze kant.

De belofte van een eindpunt houdt mensen gaande, maar trekt ze tegelijk weg uit wat er nu is.

Boeken doen dit ook. Niet omdat ze slecht zijn, maar omdat ze suggereren dat begrijpen hetzelfde is als landen.

Alsof inzicht een sleutel is. Alsof lezen een overgang is. Alsof woorden iemand ergens brengen.

Maar niemand komt ergens aan door een tekst.

Wat teksten wél doen, is spiegelen wat al in beweging is. Ze geven woorden aan iets dat zich al aandient. Ze verzachten misschien, of maken iets herkenbaar.

Meer niet.

Wie nog hoopt op een goede afloop, is nog onderweg. Wie zich vastklampt aan een beeld van hoe het straks zal zijn, houdt zichzelf in de toekomst.

En daar woont geen rust.

Herstel is geen traject en geen beloning. Het is geen proces met stappen en geen belofte aan het einde.

Het is het moment waarop je niets meer probeert te fixen. Niet omdat het klaar is, maar omdat er niets te fixen valt.

Dat moment is niet groots. Het heeft geen naam. Het voelt eerder kaal dan hoopvol.

Maar het is echt.

Niet de wereld verandert daar. Niet de mensheid. Niet de politiek.

Alleen de manier waarop iemand in zijn eigen leven staat.

En dat is genoeg.


Tijdelijk verlangen


Mensen zeggen dat je trends niet hoeft te volgen. Dat klopt. Maar zolang niet zichtbaar is waarom mensen naar trends grijpen, blijft het een lege zin.

Een trend is zelden het probleem. Het is een tijdelijk antwoord.

Niet op verlangen naar spullen, maar op verlangen naar gezien worden. Naar meedoen. Naar ergens mogen landen.

Wanneer de interne steun ontbreekt, wordt de buitenwereld een leunpaal. Dan wordt elk nieuw idee, elk nieuw format, elk succesverhaal een mogelijke houvast.

Niet omdat iemand oppervlakkig is, maar omdat het zenuwstelsel rust zoekt.

Zolang dit mechanisme onzichtbaar blijft, blijft het grijpen zich herhalen. Dan worden trends afgewezen met het hoofd en omarmd met het lichaam.

Pas wanneer iemand ziet dat het niet om de trend gaat maar om wat eronder ligt, verliest de trend zijn macht.

Niet door verzet. Niet door discipline. Maar doordat hij niet meer nodig is.


Grootheid


Ik zie hoe zekerheid steeds harder wordt uitgesproken. Alsof ze anders niet bestaat.

Er zijn mensen die jong zijn en al weten hoe het leven werkt. Die zeggen dat ze het doorzien hebben. Dat geld snel moet. Dat twijfel zwakte is. Dat alles maakbaar is, als je het maar hard genoeg roept.

Ik zie geen kwaad. Ik zie haast.

Zekerheid wordt een product. Niet omdat het klopt, maar omdat iemand het nodig heeft.

Wie zichzelf nog niet draagt, zoekt houvast. En waar houvast wordt gezocht, ontstaat aanbod. Dat is niet nieuw. Dat is menselijk.

Wat mij raakt, is niet het geld. Niet de ambitie. Niet het succes.

Het is de toon.

Alsof kwetsbaarheid iets is wat je moet overstijgen. Alsof onzekerheid een fout is. Alsof je pas meetelt wanneer je boven anderen kunt staan.

Ik kan daar niet in mee.

Niet omdat het fout is. Maar omdat het mij niets brengt.

Ik zie hoe snel zekerheid verandert in status. Hoe stilte verdacht wordt. Hoe niet-weten iets is om te verbergen.

En ik merk: waar alles luid wordt, trekt iets zachts zich terug.

Ik kies ervoor om niet mee te lopen. Niet om tegen te zijn, maar om te blijven waar ik sta.

Twijfel mag hier bestaan. Traagheid ook. Niet-weten is geen gebrek.

Wat ik zie, laat ik zijn. Wat niet van mij is, draag ik niet.

Dat is geen afwijzing. Dat is begrenzing.


Doen


Ik wacht niet meer op zin. Zin komt niet vooraf. Zin verschijnt pas als iets gedaan is.

Wat vooraf komt, is meestal weerstand. Mijn hoofd ziet een berg waar alleen een handeling ligt. Niet omdat het zwaar is, maar omdat het zich herhaalt.

Ik wil geen handelingen. Ik wil een resultaat. Een opgeruimde kast. Rust in mijn blik.

De weg daarheen is eenvoudig, maar niet aantrekkelijk: vouwen.

Dus doe ik niet wat ik wil doen, maar wat hoort bij wat ik wil zien.

Zonder mezelf op te peppen. Zonder er iets van te vinden. Zonder belofte dat het leuk wordt.

Ik handel. Niet om zin te krijgen, maar omdat het klopt.

En pas daarna — soms — komt er iets wat lijkt op tevredenheid. Niet groots. Niet euforisch. Maar stil genoeg om te blijven.

Dit is geen discipline. Dit is geen motivatie. Dit is afzien van verhalen.

Ik doe wat nodig is voor wat ik wil. Meer niet.

En als ik daarna weer ga liggen, dan lig ik rustiger omdat ik niets meer hoef te rechtvaardigen.


Ik zie


Er zijn mensen die schrijven om de wereld te veranderen. En er zijn mensen die schrijven omdat ze anders niet kunnen ademen.

De geschiedenis staat vol met stemmen die snijden. Niet omdat ze wilden snijden, maar omdat ze geen andere manier hadden om gehoord te worden.

Wie geen spiegel heeft, schrijft harder. Wie geen steun heeft, schrijft scherper. Wie alleen staat in zijn denken, verliest de verdoving.

Dat maakt teksten helder, maar ook koud. Precies genoeg om te overleven, niet genoeg om in te wonen.

Veel filosofische teksten uit de geschiedenis dragen die toon. Ze analyseren de mens, de macht, de wereld. Ze benoemen wat misgaat. Ze leggen bloot. Maar ze landen niet.

Niet omdat ze onwaar zijn. Maar omdat ze geschreven zijn vanuit afstand tot zichzelf.

Zodra schrijven een poging wordt om de wereld te repareren, verliest het zijn rust. En zodra een mens zichzelf verliest, wordt taal een instrument in plaats van een bedding.

De wereld verandert niet door beschrijving. Zij verandert alleen van plaats wanneer iemand zijn eigen positie verschuift.

Wie denkt het gouden ei gevonden te hebben, schrijft met haast. Wie denkt anderen te moeten overtuigen, verliest zijn eigen stem.

Doorleefde taal wil niets bereiken. Ze hoeft niemand mee te nemen. Ze hoeft niets te bewijzen.

Ze is er. En dat is genoeg.

Misschien is dat waarom sommige teksten blijven schuren, en andere rust geven. Niet vanwege hun gelijk, maar vanwege de plek waaruit ze zijn geschreven.

Geschiedenis laat zien wat er gebeurt als denken sneller gaat dan landen. En misschien is dat geen aanklacht, maar een herinnering.

Dat het ook anders kan. Zachter. Met steun. Zonder missie.

En dat wie vandaag schrijft vanuit aanwezigheid, niet probeert de wereld te veranderen, maar simpelweg zichzelf niet meer verliest.


Geschiedenis


Sommige teksten zijn hard. Niet omdat de waarheid hard is, maar omdat degene die schrijft geen andere vorm heeft om haar vast te houden.

Wie alleen staat in zijn denken, schrijft zonder landing. Woorden worden dan scherp, niet uit wreedheid, maar uit noodzaak.

De oude filosofen leefden vaak zo. Niet omdat ze dat wilden, maar omdat er geen spiegel was. Geen plek waar gedachten konden terugkomen met een andere toon. Geen bedding die zei: dit klopt, maar het kan ook gedragen worden.

Dan wordt schrijven een uitweg. Niet een uitnodiging, maar een ontlading.

Elke tekst verraadt de staat van waaruit zij geschreven is. Niet de juistheid, maar de spanning. Wie te weinig draagkracht heeft, kan helder zien en toch koud spreken.

Dat maakt die teksten niet onwaar. Maar wel onbeschermd.

Ik geloof niet dat waarheid snijden hoeft. Ik geloof dat waarheid wil landen. En dat zij pas schade doet wanneer zij sneller komt dan iemand haar kan dragen.

Woorden zonder steun worden wapens, zelfs als ze goed bedoeld zijn.

Misschien is dat waarom sommige teksten blijven fascineren en tegelijk afstoten. Ze zijn juist, maar niet bewoonbaar.

Ik schrijf anders. Niet omdat ik minder zie, maar omdat ik niet alleen sta. Omdat gedachten mogen vertragen. Omdat woorden mogen verzachten zonder hun kern te verliezen.

Ik hoef niemand wakker te schudden. Ik hoef niets af te breken. Wat ik zie, mag er zijn zonder dat het iemand verwondt.

Waarheid hoeft niet harder te worden om serieus genomen te worden. Zij heeft alleen steun nodig.

En misschien is dat het verschil tussen schrijven om te overleven en schrijven om te blijven.


Steun


De mens heeft altijd gezocht naar iets om tegenaan te leunen. Niet omdat hij zwak is, maar omdat alleen staan gewicht heeft.

Geloof is één van de oudste vormen van steun. Een gedeelde gedachte, een verhaal dat groter is dan het individu, een belofte dat je niet alleen bent — zelfs niet wanneer niemand naast je staat.

Dat verhaal werd doorgegeven. Van mond tot mond. Van generatie op generatie.

En onderweg kreeg het regels.

Wat begon als steun, werd richting. Wat richting gaf, werd norm. Wat norm werd, veranderde langzaam in grens.

Niet omdat het zo bedoeld was, maar omdat mensen houvast willen vasthouden wanneer ze bang zijn het te verliezen.

Zo ontstonden systemen die bepalen wat je mag denken, wat je mag voelen, wie je mag zijn.

Voor sommigen is dat veilig. Voor anderen verstikkend.

Ik sta aan de kant waar steun geen dwang wordt. Waar niemand hoeft te geloven om te mogen bestaan. Waar het leven niet hoeft te worden uitgelegd om geleefd te mogen worden.

Ik heb geen eeuwigheid nodig om dit leven waarde te geven. Juist omdat het eindig is, doet het ertoe.

Adem is genoeg. Vandaag is genoeg.

Dit is geen afwijzing van wie gelooft. Dit is geen oproep om los te laten wat iemand draagt.

Dit is alleen de plek waar ik sta: zonder verbond, zonder belofte, maar niet zonder steun.


Hobby


Een hobby hoeft nergens heen. Zodra zij moet dragen, leveren of bewijzen, verliest zij haar aard.

Wat vrij is, ontstaat vanzelf. Wat verwacht wordt, trekt zich terug.

Een hobby is geen voorstadium van werk en geen mislukt inkomen, maar een plek waar niets ontbreekt.

Daar mag iets nutteloos zijn zonder zich te verantwoorden. Daar mag plezier bestaan zonder doel.

Wie zijn hobby bewaart als vrij gebied, verliest misschien geld, maar behoudt zijn stem.

En wie daarin niemand helpt, helpt zichzelf — wat al meer waarde heeft dan elke opbrengst.


Eenvoud


Er is een moment waarop denken ophoudt een activiteit te zijn en een plaats wordt.

Niet een plek om iets te bereiken, maar een plek om te blijven.

Ik ben daar niet gekomen door antwoorden te verzamelen, maar door steeds minder vragen te hoeven stellen. Niet omdat ik alles weet, maar omdat ik ben opgehouden mezelf te wantrouwen wanneer er niets te weten viel.

Wat mij opvalt, is hoe snel betekenis wordt dichtgeplakt. Hoe snel iets dat licht is, wordt verzwaard met uitleg, methodes, namen, verdienmodellen. Alsof eenvoud verdacht is. Alsof iets pas waar mag zijn wanneer het herhaalbaar, overdraagbaar en verkoopbaar wordt.

Ik ben daar uitgestapt.

Niet uit verzet, maar uit vermoeidheid.

Ik merkte dat ik rust niet vond door méér te doen, maar door minder te hoeven. Door niet langer te zoeken naar de juiste vorm omdat de inhoud al lang aanwezig was.

Schrijven bleek geen techniek, maar een terugkeer. Geen middel om iets op te lossen, maar een manier om niets meer te hoeven fixen.

Wat ik opschrijf, is niet bedoeld om te overtuigen. Het vraagt geen instemming. Het wil nergens heen.

Het is slechts een plek waar mijn gedachten mogen liggen zonder dat ze functioneel hoeven te zijn.

Ik heb geen behoefte om anderen te verbeteren. Ook niet om ze wakker te maken. Wie wil kijken, mag kijken. Wie niets herkent, hoeft niets mee te nemen.

Dat is geen onverschilligheid. Dat is respect voor het innerlijke tempo van een ander.

Misschien is dat wat mij het meest onderscheidt van wat vaak filosofie wordt genoemd: ik heb geen interesse meer in het dragen van waarheid voor anderen.

Ik draag alleen wat van mij is. En ik heb gemerkt: dat is licht genoeg.


Zin


De vraag naar zin ontstaat vaak pas wanneer het oude niet meer werkt. Daarvoor leef je gewoon.

is geen antwoord dat je vindt door verder te zoeken. Het is wat overblijft wanneer je stopt met zoeken buiten jezelf.

Niet omdat de wereld geen antwoorden heeft, maar omdat geen enkel antwoord van buiten kan dragen wat je van binnen niet wilt horen.

Luisteren naar jezelf is geen vaardigheid. Het is een houding. Stil genoeg zijn om te merken wat er al is.

Handelen daarnaar is geen beloning. Het is een consequentie.

Dat vraagt geen uitleg, geen gemeenschap, geen richtingwijzer. Alleen de bereidheid om iets los te laten wat ooit veilig voelde.

Wie dit eenmaal doet, zoekt niet meer naar zin. Die leeft.

En dat is alles.


Herkenning en weerstand


De meeste mensen begrijpen filosofie. Niet met hun hoofd, maar ergens daaronder.

Dat is precies waarom ze het wegduwen.

Wat wordt herkend, maar niet gedragen kan worden, wordt gerelativeerd. Gebagatelliseerd. Afgewezen als “te zwaar”, “te diep”, “overdreven”.

Niet omdat het niet klopt, maar omdat het iets zou vragen wat men nog niet kan geven.

Wie nooit werkelijk benauwd is geweest, wie altijd nog een uitweg voelde, kan zich laten voeden door de wereld zonder haar te bevragen.

Maar wie het punt kent waar geen kant meer mogelijk was, leert iets anders.

Niet méér. Maar dieper.

Daar ontstaat het vermogen om waarheid te herkennen zonder haar te hoeven verzachten.

Niet iedereen hoeft dat te zien. Niet iedereen hoeft mee.

Soms is het voldoende om jezelf toestemming te geven om te schrijven wat waar is, en anderen de ruimte te laten om weg te kijken.

Dat is geen hardheid. Dat is zorg.


Lege communcatie


Er wordt veel gesproken. Maar weinig gezegd.

Mensen wisselen woorden uit zoals men objecten doorgeeft: netjes, beleefd, volgens afspraak. Het gesprek beweegt, maar komt nergens aan.

Niet omdat iemand liegt. Maar omdat niemand werkelijk aanwezig is op dezelfde laag.

Ieder spreekt vanuit zijn eigen ordening. De één vanuit gewoonte. De ander vanuit observatie. De woorden raken elkaar, maar de betekenissen niet

Dat maakt communicatie leeg, zonder dat zij vijandig is. Er wordt geluisterd, maar niet gehoord. Er wordt gereageerd, maar niet ontmoet.

Wie dit ziet, kan proberen zich aan te passen. Vragen stellen zonder interesse. Meebewegen zonder betrokkenheid. Dat kost energie en laat niets achter.

Wie het niet meer kan, valt stil. Niet uit onwil, maar uit helderheid.

Lege communicatie vraagt geen oplossing. Zij hoeft niet gevuld te worden. Zij hoeft alleen herkend te worden als wat zij is.

Soms is zwijgen geen terugtrekking, maar de enige eerlijke vorm van spreken.

En soms is het genoeg om te weten: dit gesprek is niet mislukt — het was nooit bedoeld om te dragen.


Daten


Daten, zoals ik het zie, heeft weinig te maken met zoeken. En niets met overtuigen.

Ik zoek geen bevestiging, geen aanvulling en geen oplossing. Ik zoek ook geen gelijkgestemde versie van mezelf, of iemand die me begrijpt zonder vragen.

Wat ik voor me zie, is eenvoudiger en tegelijk zeldzamer.

Samen kunnen zitten. Zonder rol. Zonder plan. Zonder de noodzaak om iets te worden voor elkaar.

Ik wil kunnen spreken zoals gedachten zich aandienen, niet afgerond, niet netjes, niet verdedigbaar. En ik wil dat de ander niet corrigeert, verklaart of gladstrijkt, maar luistert vanuit nieuwsgierigheid.

Niet om het eens te worden, maar om het verschil te laten bestaan.

Als ik iets zie — een terrasje, een gezicht, een stilte — dan mag dat mijn blik zijn. En als de ander iets anders ziet, dan hoeft dat mijn blik niet te ontkennen.

Ik zie daten niet als een uitwisseling, maar als een ontmoeting tussen twee manieren van kijken.

Zonder ruil. Zonder verwachting. Zonder verborgen afspraak.

Misschien drinken we thee. Misschien zeggen we weinig. Misschien blijkt het niet te passen.

Maar als er ruimte is om te denken zonder verdediging, en te spreken zonder dat het “te veel” wordt genoemd, dan is er al iets gebeurd.

Voor mij is dat genoeg.


Jezelf


Er is maar één iemand die mij gelukkig kan maken. En dat ben ik.

Niet omdat anderen onbelangrijk zijn. Niet omdat verbinding geen waarde heeft. Maar omdat geen mens mij kan dragen op de manier waarop ik mezelf kan dragen.

Geluk ontstaat niet doordat iemand naast je staat. Het ontstaat wanneer je doet wat voor jou klopt. Wanneer je leeft in overeenstemming met wat je voelt, wilt en verdraagt.

Een ander kan meelopen. Soms zelfs heel dichtbij. Maar nooit als vervanging van jezelf.

Wanneer geluk buiten jezelf wordt gelegd, ontstaat afhankelijkheid. Wanneer verantwoordelijkheid voor je welzijn wordt uitbesteed, raakt vrijheid zoek. Dat is geen liefde — dat is verplaatsing.

Dit geldt voor partners, voor vriendschappen, en ja, ook voor ouders en kinderen. Niemand kan een leegte vullen die niet van hen is.

Jezelf gelukkig maken is geen egoïsme. Het is een voorwaarde.

Van daaruit kan verbinding ontstaan die niet hoeft te dragen, te redden of te compenseren — maar simpelweg mag bestaan.


Genoeg


Wat een mens nodig heeft, is vaak veel minder dan hij denkt.

De meeste verlangens ontstaan niet van binnenuit, maar aan de buitenkant. Door wat zichtbaar is. Door wat anderen doen. Door wat als normaal, wenselijk of succesvol wordt gepresenteerd.

Wie voortdurend naar buiten kijkt, zal altijd tekort ervaren. Er is altijd iets meer. Iets beters. Iets wat nog ontbreekt.

Maar wie zijn blik terughaalt, en durft te blijven bij wat er al is, ontdekt iets ongemakkelijks en bevrijdends tegelijk: dat veel van wat hij meende nodig te hebben, geen noodzaak was maar een gewoonte.

Rust ontstaat niet door toevoegen, maar door weglaten. Door te zien dat tijd, aandacht en energie schaars zijn — en niet bedoeld om overal te landen.

Wie dit eenmaal ziet, hoeft niet meer alles te volgen. Niet meer alles te willen. Niet meer alles vast te houden.

Er blijft iets eenvoudigs over: genoeg.

En in dat genoeg komt ruimte vrij. Voor stilte. Voor richting. Voor een leven dat niet wordt opgebouwd uit wat ontbreekt, maar uit wat aanwezig is.


Woorden zonder spiegel


Op sociale media verschijnen woorden zonder bedding. Ze raken, troosten, verklaren — maar ze kijken niet terug.

Wie zoekt, vindt er herkenning. Wie twijfelt, vindt er houvast. Maar wat ontbreekt, is de spiegel die vraagt: Wat gebeurt er nu in jou?

Zonder die vraag worden woorden leidend. Niet omdat ze waar zijn, maar omdat ze niet weersproken worden door nabijheid.

Wat gedeeld wordt, kan helpen. Wat gevolgd wordt, kan vervreemden.

Niet elke waarheid is gevaarlijk. Maar waarheid zonder relatie kan iemand bij zichzelf weghalen.

Misschien is dat geen fout van het medium, maar een grens ervan.


Loslaten


Loslaten gaat niet over opgeven. Het gaat over onderscheiden wat wezenlijk is en wat niet.

Veel dingen waar mensen tegenaan leunen, lijken noodzakelijk. Werk. Bezit. Relaties. Rollen. Identiteiten. Ze geven houvast, richting, betekenis.

Maar houvast is niet hetzelfde als fundament.

Wie sterk genoeg staat, heeft minder nodig om zich aan vast te houden. Niet omdat die mens harder is, maar omdat hij weet waar hij staat.

Loslaten begint vaak klein. Een gewoonte die niet meer klopt. Een rol die te krap is geworden. Een idee over wie je zou moeten zijn.

En soms wordt het groot. Dan vallen hele bouwwerken weg. Niet omdat ze fout waren, maar omdat ze niet langer dragen.

Wat overblijft voelt eerst wiebelig. Alsof de vloer beweegt. Alsof je iets kwijt bent wat je altijd heeft vastgehouden.

Maar wat daar zichtbaar wordt, is iets anders: dat je al die tijd al stond.

Niet op spullen. Niet op mensen. Niet op zekerheden.

Maar op je eigen voeten.

Wie zonder leunpunten kan staan, staat niet alleen — maar vrij.

Dat betekent niet dat niets er meer toe doet. Het betekent dat niets meer nodig is om te mogen bestaan.

Alles wat dan blijft, wordt een keuze. Geen voorwaarde.

Misschien is dat wat loslaten werkelijk is: niet minder leven, maar leven zonder steunpalen.


Wat wordt doorgegeven


Soms gebeurt er iets in een leven dat te groot is om te dragen.

Niet omdat iemand zwak is, maar omdat er op dat moment geen taal voor is, geen ruimte, geen bedding.

Dan wordt het niet verwerkt. Het wordt vastgehouden.

Niet bewust. Niet met opzet. Gewoon omdat het lichaam geen andere plek heeft om het neer te leggen.

Wat niet wordt gezien, verdwijnt niet.

Het zakt weg. In houding. In spanning. In stilte.

Een kind groeit daarin op. Niet met het verhaal, maar met de gevolgen.

Het kind voelt iets dat nergens bij hoort. Reageert op situaties die voor anderen gewoon zijn. Wordt moe van dingen die geen naam hebben.

In het gangbare leven lijkt het kind “gevoelig”, “lastig”, “onverklaarbaar”.

Soms leert het ermee leven. Soms bouwt het er een bestaan omheen. En soms loopt het vast, niet omdat het stuk is, maar omdat het te lang iets heeft gedragen dat niet van hem was.

Dan verschijnt professionele hulp. Niet als falen, maar als laatste plek waar eindelijk gekeken mag worden.

Niet iedereen komt daar. Niet iedereen hoeft daar te komen. Sommigen vinden hun weg zonder woorden. Anderen struikelen over wat nooit benoemd werd.

Dat verschil zegt niets over kracht. Alleen over omstandigheden.

Wat generaties niet konden dragen, kan onbedoeld worden doorgegeven. Niet als schuld, maar als erfenis zonder uitleg.

En soms is één mens genoeg om het patroon te zien, niet om het te repareren, maar om het niet verder te dragen.


Kijken


Filosofie begint niet met kennis. Ze begint met kijken.

Niet het kijken dat zoekt naar antwoorden, maar het kijken dat niets wil toevoegen en niets wil oplossen.

Observeren. Benoemen. En laten wat er is.

Dat klinkt eenvoudig. Dat is het niet.

Want wie werkelijk kijkt, merkt hoe snel het denken wil ingrijpen. Hoe snel er een verhaal ontstaat. Een verklaring. Een oordeel. Een plan.

Zelfdenken vraagt iets anders. Het vraagt dat je het ziet en het niet meteen gladstrijkt.

Niet iedereen kan dat. Niet omdat het moeilijk is, maar omdat het niets oplevert.

Geen erkenning. Geen zekerheid. Geen houvast buiten jezelf.

Wie naar binnen kijkt, komt vroeg of laat uit bij dezelfde plek: dat wat er is, zonder versiering. Zonder betekenislaag. Zonder bestemming.

Dat moment is geen inzicht. Het is geen doorbraak. Het is een stilvallen.

En precies daar begint filosofie. Niet als vak. Niet als theorie. Maar als houding.

Wie dit eenmaal ziet, kan niet meer terug naar alleen volgen. Niet omdat hij beter weet, maar omdat hij heeft gezien.

En wat gezien is, hoeft niet meer verdedigd te worden.


Sneeuw


Soms ligt er ’s ochtends sneeuw.

Ik merk dat ik geen behoefte voel om haar direct weg te vegen. Als ik naar buiten ga, trek ik goede schoenen aan. Ik pas me aan aan de omstandigheden, in plaats van ze te willen veranderen.

De sneeuw hoeft voor mij niet te verdwijnen om begaanbaar te zijn. Ze mag er even zijn.

Wat mij opvalt, is hoe snel ongemak verandert in weerstand. Alsof alles wat vertraagt, schuurt of afwijkt van het gebruikelijke, onmiddellijk opgelost moet worden.

De mens lijkt ervan overtuigd dat een besneeuwde straat meteen schoon moet. Die overtuiging wordt zelden uitgesproken, maar leeft in wat we doen. We ruimen op voordat we gekeken hebben.

Opmerkelijk is dat dezelfde sneeuw elders wordt gekoesterd. In wintersportgebieden zoeken we haar op, bewonderen we haar, passen we ons aan. Daar is ze geen probleem, maar een ervaring.

Misschien zit het ongemak niet in de sneeuw zelf, maar in wat zij van ons vraagt: vertraging, aanpassing, mildheid.

Niet alles hoeft direct weg. Sommige dingen mogen blijven liggen. Even.


Werk


Werk is iets wat je doet in je leven. Niet iets wat je bent.

Toch wordt het ons vroeg gevraagd. Alsof je op je vijftiende al kunt weten wie je later zult zijn. Alsof een keuze die je maakt terwijl je nog zoekt, een besluit moet zijn voor de rest van je bestaan.

We kiezen dan vaak niet vanuit binnen, maar vanuit wat zichtbaar is. Wat groot lijkt. Wat status draagt. Wat herkenbaar is.

Uniformen. Titels. Rollen die je kunt aanwijzen.

Wat je niet ziet, lijkt minder te bestaan. En wat minder bestaat, wordt minder gekozen.

Zo leren we kijken voordat we leren voelen.

Later noemen we dat “een logische loopbaan”, maar vaak is het niets anders dan een gevolg van beelden die zich vroeg hebben vastgezet.

Werk wordt dan meer dan een taak. Het wordt houvast. Identiteit. Een plaats om ergens bij te horen.

Daar begint het schuren.

Want wie werk nodig heeft om zich gezien te voelen, zal vroeg of laat ontdekken dat werk je niet terugziet.

Je blijft vervangbaar. Niet omdat je niets betekent, maar omdat het systeem niet gebouwd is op betekenis, maar op voortgang.

Dat kan pijnlijk zijn, vooral als je het werk bent gaan verwarren met verbinding.

Misschien is dat het moment waarop iets verschuift.

Werk mag kleiner worden. Lichter. Functioneler.

Niet minder waardevol — maar minder dragend.

Je hoeft geen rol te vervullen om er te mogen zijn. Je hoeft niet te excelleren om bestaansrecht te hebben.

Werk kan simpelweg zijn: iets doen, op jouw manier, binnen jouw mogelijkheden.

Zonder jezelf erin te verliezen. Zonder het te laten bepalen wie je bent.

Wie dat eenmaal ziet, hoeft geen groots verhaal meer te vertellen over werk.

Die doet wat nodig is. En gaat daarna weer verder met leven.


Bedding


Niet iedereen leeft op dezelfde laag.

Sommigen vinden houvast in wat er om hen heen gebouwd is: relaties, routines, verantwoordelijkheden, verwachtingen. Dat is geen zwakte. Het is een manier van dragen.

De wereld is zo ingericht dat dit mogelijk is. En voor velen is dat voldoende.

Anderen komen op een punt waarop die structuren niet meer werken. Niet omdat ze falen, maar omdat het dragen van buitenaf geen bedding meer geeft.

Dan ontstaat er geen keuze, maar noodzaak.

Wie daar terechtkomt, kan niet blijven leunen. Niet op een partner. Niet op een rol. Niet op een toekomstbeeld dat al vastligt.

Interne bedding ontstaat niet uit verlangen, maar uit het wegvallen van steun.

Daarom is deze weg niet maakbaar. Niet overdraagbaar. Niet wenselijk voor iedereen.

Er zijn levens waarin loslaten onmogelijk is, omdat er anderen gedragen moeten worden. En levens waarin loslaten onvermijdelijk is, omdat niemand anders het kan doen.

Beide bestaan naast elkaar. Zonder hiërarchie.

Maar wie eenmaal geleerd heeft zichzelf te dragen, ziet de structuren van de wereld anders.

Niet als leugen. Niet als vijand. Maar als keuze.

En die keuze laat zich niet afdwingen, alleen herkennen.


Kiezen


De meeste relaties ontstaan niet uit vrijheid. Ze ontstaan uit behoefte. Uit ruil. Uit stilzwijgende afspraken die nooit hardop zijn uitgesproken.

Ik doe dit voor jou. Dan doe jij dat voor mij.

Zo groeit iets wat op liefde lijkt, maar leunt op verwachting.

Er is niets mis met zorg. Er is niets mis met geven. Maar zodra geven een voorwaarde wordt, verdwijnt de keuze.

En zonder keuze bestaat er geen liefde, alleen loyaliteit uit angst.

De meeste mensen willen verbonden zijn, maar niet leeg durven zijn. Ze willen nabijheid, maar geen vrijheid die ook het vertrek mogelijk maakt.

Want echte vrijheid betekent dit: dat de ander niets van je nodig heeft om bij je te blijven.

Dat is ondraaglijk voor wie zichzelf nog niet draagt.

Stel je een relatie voor waarin niemand iets moet. Waar niets vanzelfsprekend is. Waar zorg geen plicht is, maar elke keer opnieuw een beslissing.

Zo’n relatie zou zeldzaam zijn. Niet omdat ze onmogelijk is, maar omdat ze niets belooft.

Geen veiligheid. Geen garantie. Geen bevestiging.

Alleen aanwezigheid.

Alleen: ik kies jou — vandaag.

Dat is de hoogste vorm van liefde. Niet omdat ze groter is, maar omdat ze niets nodig heeft om te bestaan.

Wie zo kan liefhebben, heeft zichzelf al gevonden.

En wie dat niet kan, is niet tekortgeschoten — maar nog onderweg.


Ogen die blijven


Er zijn levens die er aan de buitenkant heel gewoon uitzien. Ze hebben een ritme, een baan, afspraken in de agenda. Er wordt gelachen op verjaardagen. Er is een huis dat warm oogt, een lichaam dat functioneert, een hoofd dat meedoet.

En toch kan er van binnen iets blijven schuren.

Niet luid. Niet dramatisch. Maar als een lichte wrijving die nooit helemaal verdwijnt.

Alsof het leven klopt voor de wereld, maar niet helemaal voor degene die het leeft.

Wanneer die wrijving lang genoeg aanhoudt, gaan mensen zoeken.

Niet altijd bewust. Niet altijd verkeerd.

Ze zoeken naar woorden die uitleggen wat ze voelen. Naar namen die het dragelijk maken. Naar groepjes waarin iemand zegt: jij hoort hier.

Labels kunnen dan voelen als een thuiskomst. Eindelijk een kader. Eindelijk een verhaal dat klopt.

Niet omdat het de kern raakt, maar omdat het gezien worden even oplucht.

In een wereld die voortdurend kijkt, wil bijna iedereen ogen die terugkijken.

Dat verlangen is menselijk. Maar het kan ook verhullen dat de bedding nog buiten onszelf ligt.

Wat eerst verbinding lijkt, kan langzaam een nieuwe vorm van vasthouden worden.

Een clubje waar je bij mag horen, maar waar je ook iets moet blijven zijn.

Een naam die erkenning geeft, maar ook bepaalt hoe ver je mag bewegen.

Veel mensen leren vroeg hoe ze zich moeten voegen. Hoe je doorgaat. Hoe je het netjes doet. Hoe je sterk bent zonder te weten wat kracht eigenlijk is.

Dat werkt. Soms jarenlang.

Tot het lichaam langzamer wordt. Of stiller. Of ineens niet meer meedoet.

Dan blijkt dat wat zo vanzelfsprekend leek, vooral van buitenaf werd gedragen.

Er is niets mis met zoeken naar herkenning. Maar er is een verschil tussen gezien worden en jezelf kunnen dragen wanneer niemand kijkt.

Echte autonomie ontstaat niet in een label, en ook niet in het loslaten ervan.

Ze ontstaat wanneer de noodzaak om ergens bij te horen langzaam zachter wordt.

Wanneer keuzes niet meer worden gemaakt om erkend te worden, maar omdat ze minder schuren van binnen.

Niet omdat iemand zegt dat het goed is, maar omdat het lichaam stopt met protesteren.

Misschien is dat wel het stille verschil: tussen leven dat wordt volgehouden en leven dat wordt bewoond.

En misschien hoeft dat niet uitgelegd te worden. Alleen herkend.


Academische filosofie


Academische filosofie spreekt vaak over het leven. Over denken, vrijheid, verantwoordelijkheid, betekenis.

Ze analyseert teksten. Vergelijkt ideeën. Plaatst gedachten in een traditie.

Dat is waardevol. Maar het is niet hetzelfde als doorleven.

Want wie academisch filosofeert, kan het leven beschrijven zonder er zelf doorheen te zijn gegaan. Kan spreken over breuken zonder zelf gebroken te zijn. Kan nadenken over autonomie zonder ooit werkelijk alles te hebben losgelaten.

Daar zit geen fout in. Maar er zit wel een grens.

Doorleefde filosofie ontstaat niet uit studie, maar uit verlies van houvast. Niet uit uitleg, maar uit het moment waarop uitleg faalt. Niet uit controle, maar uit het wegvallen ervan.

Waar academische filosofie betekenis duidt, ontstaat doorleefde filosofie uit noodzaak. Niet omdat iemand wil begrijpen, maar omdat iemand niet anders kan dan kijken.

Misschien is dat waarom academische filosofie zich zo goed laat organiseren: lezingen, evenementen, kaartjes, kaders.

En waarom doorleefde filosofie zich daar juist aan onttrekt. Die zoekt geen publiek. Geen bevestiging. Geen podium.

Wie het heeft doorleefd, herkent het meteen. En wie er nog niet is, zal het niet vinden — hoe goed het ook wordt uitgelegd.

Niet omdat het geheim is. Maar omdat het niet overdraagbaar is.


Spiegelen


Er bestaat een misverstand dat je jezelf kunt helen door alleen maar te denken. Door te schrijven. Door te begrijpen.

Dat is niet waar.

Zonder spiegeling blijft een mens binnen zijn eigen omtrek. Woorden worden scherper, maar niet ruimer. Inzicht verdiept, maar sluit zich ook.

Heling ontstaat niet in het alleen-zijn, maar in het gezien-worden zonder dat iemand ingrijpt.

Niet iemand die oplost. Niet iemand die stuurt. Maar iemand — of iets — dat teruggeeft wat er gezegd wordt, zonder het over te nemen.

Wie alleen reflecteert, leert zichzelf kennen. Wie gespiegeld wordt, kan zichzelf loslaten.

Misschien is dat waarom sommige denkers zo helder werden en tegelijk steeds eenzamer. Ze vertrouwden hun woorden, maar hadden niemand die ze terug kon dragen.

Spiegeling is geen uitleg. Het is ruimte.

En ruimte is wat maakt dat inzicht geen eindpunt wordt, maar een doorgang.


De helper


Er zijn mensen die anderen leren hoe ze moeten leven. Ze spreken over rust, over heling, over aanwezigheid. Hun woorden kloppen. Hun lichamen vaak niet.

Dat hoeft geen onwil te zijn. Ook geen leugen.

Het is mogelijk om precies te weten wat een ander nodig heeft en tegelijk niet te merken wat je zelf tekortkomt.

Zorgen kan een veilige afstand zijn. Vooral wanneer stilstaan gevaarlijk voelt.

Wie helpt, wordt zelden gevraagd waar hij zelf van leeft. Zolang hij spreekt, lijkt alles in orde. Zolang hij gezien wordt, blijft de vraag uit.

Maar een lichaam liegt niet. Het draagt altijd meer waarheid dan woorden.

Echte zorg begint daar waar iemand zichzelf niet langer overslaat om beschikbaar te blijven.

Dat moment is stil. En niet overdraagbaar.


Verliefdheid


Verliefdheid lijkt zich af te spelen in een tussengebied. Niet aan het begin, niet aan het einde, maar op een plek waar niets vastligt en alles tegelijk in beweging is. Het is geen gevoel dat zich laat vasthouden. Eerder een subtiele verschuiving, alsof de wereld een fractie kantelt en dingen net iets anders verschijnen dan daarvoor.

Ze laat zich kennen via kleine signalen. Gedachten die blijven hangen. Gewone momenten die onverwacht licht dragen, zonder duidelijke aanleiding. Zodra geprobeerd wordt haar te begrijpen of vast te leggen, lijkt ze te vervagen. Alsof uitleg haar vorm oplost.

Verliefdheid volgt geen plan en kent geen richting. Ze bestaat bij de gratie van openheid. Van het ontbreken van zekerheid, van het niet-weten. Er hoeft niets van haar gemaakt te worden. Geen belofte, geen uitkomst, geen verhaal dat af moet.

Misschien is verliefdheid geen toestand, maar een tijdelijke ruimte. Een uitnodiging om even niet te begrijpen, en toch aanwezig te zijn. Niet omdat het ergens naartoe moet, maar omdat dit moment zichzelf draagt.


Opschrijven


Ik schrijf niet om iets uit te leggen. Ik schrijf om mezelf niet kwijt te raken.

Wat ik opschrijf is geen boodschap aan de wereld. Het is een bevestiging aan mezelf: zo denk ik dus.

Niet omdat het af is. Niet omdat het waar moet zijn voor iedereen. Maar omdat het waar is voor mij, op dit moment.

Zolang iets alleen in mijn hoofd bestaat, blijft het schuiven. Dan vraag ik me af of het mag. Of het te ver gaat. Of ik me moet aanpassen.

Door het op te schrijven valt die twijfel stil.

Niet omdat het ineens zeker wordt, maar omdat het zichtbaar wordt.

Ik zie mijn eigen denken terug. En dat is genoeg.

Herkenning bij anderen — bij filosofen, bij schrijvers — is geen bewijs. Het is geruststelling. Niet: zij hebben gelijk, maar: ik besta niet alleen.

Mijn teksten zijn geen overtuiging. Geen richtingaanwijzer voor anderen. Ze zijn een handleiding voor mezelf. Een plek waar ik kan teruglezen hoe mijn binnenwereld werkt.

Niet om vast te houden. Maar om niet meer te hoeven verdwijnen.

Anderen mogen anders denken. Dat is geen probleem. Maar ik kan niet op hun manier gaan denken zonder mezelf weer te verliezen. Daarom schrijf ik.

Niet om gelijk te krijgen. Niet om gezien te worden. Maar om te blijven.


Inzichten


Inzichten zijn niet overdraagbaar.

Dat klinkt hard, maar het is eenvoudig waar.

Wat je kunt overdragen zijn woorden. Uitleg. Modellen. Ervaringen achteraf.

Maar inzicht ontstaat niet door luisteren.

Het ontstaat wanneer iets niet meer werkt. Wanneer een verhaal instort. Wanneer het lichaam eerder stopt dan het denken.

Dat moment kun je niemand besparen. Je kunt het ook niet begeleiden.

Wie denkt dat inzicht overdraagbaar is, verwart het met informatie. Of met geruststelling. Of met hoop.

Maar inzicht is geen oplossing. Het is een breuk.

Daarom is het ook niet geschikt voor groepen. Niet voor communities. Niet voor trajecten.

Wat iemand heeft doorleefd, kan bij een ander iets raken. Maar het kan nooit hetzelfde zijn. En het kan nooit het werk doen.

Wie werkelijk iets heeft begrepen, hoeft het niet te verspreiden. Die weet hoe eenzaam dat moment was. En hoe weinig woorden toen hielpen.

Misschien is dat waarom echte inzichten zelden luid zijn. Ze willen niet gezien worden. Ze willen niet gevolgd worden.

Ze veranderen alleen degene die ze heeft gekregen. En laten de rest met rust.


Goede voornemens


Elk jaar opnieuw spreken we over goede voornemens. Minder drinken. Stoppen met roken. Gezonder leven. Zelden komen ze voort uit verlangen. Vaker uit schaamte.

Ze worden gevoed door waarschuwingen, campagnes, goedbedoelde adviezen. Door blikken van anderen die weten wat beter voor je zou zijn.

Maar wat niet van binnenuit komt, houdt geen stand. Niet omdat mensen falen, maar omdat gehoorzaamheid geen bedding is.

Een verandering die werkelijk blijft, ontstaat niet uit verbod, maar uit verzadiging. Op het moment dat iets zijn glans verliest, laat je het vanzelf liggen.

Niet omdat het niet mag, maar omdat het niets meer geeft.

Misschien zijn goede voornemens daarom zo hardnekkig én zo vluchtig: ze proberen gedrag te veranderen zonder het verlangen te begrijpen.

Wat niet van binnenuit wordt gedragen, kan van buitenaf niet worden vastgehouden.


Vergelijken


Een leven laat zich niet meten aan een algemeen criterium. Niet aan productiviteit, niet aan geluk, niet aan groei of inzicht. Wat voor de één vervulling is, kan voor de ander leeg voelen. En wat voor de één vrijheid betekent, kan voor een ander juist onrust brengen.

Toch blijven we proberen levens langs dezelfde lat te leggen. We spreken over “bewust”, “echt”, “verder”, alsof er een rangorde bestaat in hoe een mens zou moeten leven. Alsof sommige vormen van bestaan meer geslaagd zijn dan andere.

Maar een leven hoeft niet beter te zijn dan een ander leven. Het hoeft slechts bewoonbaar te zijn voor degene die het leeft.

Zodra een manier van leven als norm wordt gepresenteerd, verschuift de aandacht. Dan gaat het niet langer over verstaan, maar over overtuigen. Niet over ruimte, maar over richting. En waar richting wordt opgelegd, verdwijnt autonomie.

Misschien is helpen dan ook niet het juiste woord. Niemand kan een ander naar zichzelf brengen. Dat is geen onwil, maar een grens van het mens-zijn.

Wat mensen wél kunnen, is aanwezig zijn. Luisteren. Niet invullen. Niet verbeteren.

En misschien begint respect precies daar: bij het verdragen dat een ander een leven leeft dat je zelf niet zou kiezen — zonder het daarom minder te achten.


Vriendschap


Vriendschap is niet iets wat je zoekt. Het ontstaat terwijl je naast elkaar loopt en niemand hoeft te trekken.

Het is er niet op de dagen dat alles leuk is. Het is er op de dagen dat niets opgelost hoeft te worden en toch iemand blijft.

Vriendschap vraagt geen vorm. Geen afspraak. Geen bewijs.

Ze herkent je niet aan je verhaal, maar aan je stilte. Aan wat je niet zegt en toch niet hoeft te verbergen.

Ik hoef mezelf hier niet te maken. Niet groter. Niet kleiner. Niet begrijpelijker.

Vriendschap is weten dat ik niet bekeken word maar gezien — zonder dat er iets van mij wordt verwacht.

Er is ruimte om te veranderen zonder uitgelegd te worden. Ruimte om even niets te zijn en toch te blijven bestaan.

Misschien is vriendschap geen band, maar een bedding. Iets waar je op kunt rusten zonder erin te verdwijnen.

Ik hoef hier niet middenin te zitten. Ik mag er gewoon zijn.

En dat is genoeg.


Seksualiteit


Ik las laatst iets over seksualiteit op een filosofische website. Zoals zo vaak ging het terug naar de geschiedenis. Naar een christelijke filosoof. En eigenlijk viel me vooral op hoeveel er níét werd gezegd.

En toen dacht ik: misschien is het helemaal niet zo ingewikkeld.

Voor mij is seks de makkelijkste vorm van verbondenheid. Legaal. Zonder woorden. Zonder echt hoeven laten zien wie je bent.

Je kunt dichtbij iemand zijn, lichamelijk, zonder dat je jezelf werkelijk hoeft te openen.

De echte verbondenheid zit voor mij ergens anders. In het denken. In het overbrengen van wat jij voelt naar de ander. In woorden geven aan je binnenwereld en merken dat iemand die woorden echt ontvangt.

Dat is voor mij de grootste intimiteit die er bestaat. Daar kan seks niet tegenop. Ook liefde bedrijven niet, als die laag ontbreekt.

Seks kan nabijheid geven, maar echte ontmoeting ontstaat pas als je niet hoeft te verdwijnen, niet hoeft te spelen, niet hoeft te zwijgen.

Misschien is seks biologisch gezien bedoeld om kinderen op de wereld te zetten. Dat zou kunnen. Daar kan ik nog in meekomen.

Maar los daarvan weet ik niet goed waarom het zo vaak wordt gezien als de hoogste vorm van verbinding.

Voor mij zit die verbinding in het durven zeggen wat er in je leeft. En in de ruimte die ontstaat als iemand daarbij blijft.

Dat voelt echter. Dieper. En veel kwetsbaarder.

En misschien is dat precies waarom het daar zo weinig over gaat.

Als seksualiteit werkelijk voldoende was om mensen bij elkaar te houden, dan zouden er geen regels nodig zijn geweest om relaties in stand te houden.

Dan zouden er geen geloofsinstanties nodig zijn geweest die scheiden verbieden. Geen morele kaders die bepalen wat wel en niet mag. Geen structuren die mensen bij elkaar houden uit plicht, schuld of angst. Dat zulke regels wél bestaan, zegt voor mij iets anders.

Het zegt dat lichamelijke nabijheid op zichzelf niet genoeg is. Dat seks geen garantie is voor echte verbondenheid.

Wat mensen werkelijk bij elkaar houdt, is de bereidheid om elkaar te ontmoeten in kwetsbaarheid. Om te spreken over wat pijn doet. Om gehoord te worden zonder gecorrigeerd te worden. Om elkaar te kunnen dragen zonder zichzelf te verliezen.

Wanneer die laag er is, ontstaat er een intimiteit waar geen enkele lichamelijke handeling tegenop kan.

En misschien blijven mensen dan langer bij elkaar. Niet omdat het moet. Maar omdat ze elkaar werkelijk zien.


Het leven


Een mens wordt geboren in afhankelijkheid. Niet alleen lichamelijk, maar ook in betekenis. We leren wie we zijn door de ogen van anderen, door wat ons wordt aangereikt, benoemd, toegestaan.

In het begin is dat noodzakelijk. Zonder zorg, zonder bedding, zonder richting zou een mens niet kunnen bestaan.

Maar ergens, vaak ongemerkt, verschuift er iets.

Wat eerst houvast was, wordt langzaam een kader. Wat eerst bescherming bood, wordt soms een grens.

Volwassen worden betekent niet dat je alles weet. Het betekent dat je de verantwoordelijkheid accepteert voor het niet-weten.

Dat je mag zeggen: dit begrijp ik niet, dit past mij niet, dit kies ik anders.

Niet uit verzet, maar uit trouw.

Op dat punt verandert ook de verhouding tot de mensen die je hebben grootgebracht. Niet omdat de band verdwijnt, maar omdat de rol verandert.

Zij worden geen richtingaanwijzers meer, maar mede-reizigers. Soms dichtbij, soms op afstand. Niet minder belangrijk, maar niet langer leidend.

Dat kan pijnlijk zijn. Voor hen, omdat loslaten moeilijk is. Voor jou, omdat gezien worden iets anders blijkt dan begrepen worden.

Toch is dit geen breuk. Het is een overgang.

Een leven kan alleen werkelijk geleefd worden wanneer iemand het durft toe te eigenen. Met twijfel. Met vallen en opstaan. Met keuzes die niet door iedereen gedragen worden.

Het verlangen om het anderen niet moeilijk te maken is begrijpelijk. Maar het mag nooit zwaarder wegen dan de verantwoordelijkheid voor je eigen bestaan.

Wie blijft leven naar het beeld van een ander, verliest vroeg of laat zichzelf. Wie zijn eigen weg gaat, zal soms alleen lopen, maar loopt tenminste echt.

En misschien is volwassenheid uiteindelijk niets anders dan dit: dat je leert verdragen dat niet iedereen ziet wat jij ziet — en dat je toch blijft gaan.


De moderne tijd


Je zou toch denken dat we in deze tijd meer verbonden zijn dan ooit. We hebben technologie, schermen, berichten, apps, alles om contact te leggen. En toch voelt het tegenovergestelde waar.

We zijn bereikbaar, maar niet aanwezig. We praten, maar zeggen weinig. We hebben contact, maar het blijft plat.

Het contact dat er is, is vaak het hoognodige. Praktisch. Functioneel. Afgehandeld. Niet omdat mensen niet zouden willen, maar omdat het zo is ingericht.

Vroeger – en nee, dat was niet romantischer of beter – was er simpelweg tijd. Je zat samen. Je deed niets bijzonders. En juist doordat er geen haast was, ontstond er vanzelf gesprek. Niet meteen diep, niet meteen betekenisvol, maar wel echt.

Hoe meer er gepraat werd, hoe meer ruimte er kwam. En soms bleef het oppervlakkig, en dat was ook goed. Maar de mogelijkheid tot verdieping was er tenminste.

In deze moderne tijd lijkt technologie verbinding te beloven, maar ze haalt ons eigenlijk verder bij onszelf vandaan. En daarmee ook bij elkaar.

Niet omdat technologie slecht is, maar omdat ze stilte, verveling en aandacht overneemt. En juist dát zijn de plekken waar echte verbinding ontstaat.

Het verdrietigste is misschien wel dat veel mensen dit niet eens echt zien. Of het ergens wel voelen, maar niet kunnen plaatsen. Want hoe benoem je iets wat langzaam is weggegleden?

We leven in een tijd van overal contact, maar steeds minder ontmoeting. Van altijd bereikbaar zijn, maar zelden werkelijk geraakt worden.

Misschien is dat wel de paradox van deze tijd: dat we alles hebben om elkaar te bereiken, maar steeds minder oefenen in elkaar ontmoeten.

En misschien begint echte verbinding niet met nóg een scherm, nóg een bericht, nóg een gesprek, maar met weer durven zijn. Met jezelf. En dan pas met de ander.